Breid het Valkhofmuseum uit

Ons Valkhofmuseum heeft een flinke zak met geld gekregen om de boel weer leven in te blazen. Dat is hard nodig.

Er zal heel wat moeten worden aangepast, in programmatisch opzicht zullen er keuzes moeten worden gemaakt. Er zal veel meer ruimte en aandacht moeten komen voor de jeugd en drempels zullen moeten worden geslecht.  Ik beperk me tot de uitstraling en de omgeving die de bezoeker het eerst treft.

Het museum heeft nauwelijks uitstraling.  Het is een gesloten, duister bolwerk met trappen, een hellingbaan en melkwitte ruiten als verdediging. Met kantoren in het zicht aan de voorkant en met verlichting die je aan de buitenkant pas ziet als je op 10 meter afstand bent. Op het plein ervoor hoeven we ook niet trots te zijn: zwart en donker, hobbelig en vuil en te groot in verhouding tot de omgeving.

Plein en gebouw weren af in plaats van uit te nodigen tot verblijf en bezoek. Bezoekers aan de Valkhofkapel waar ik “dienst doe” komen geregeld uit zichzelf met opmerkingen waaruit ongeloof spreekt over zo’n “in zichzelf gekeerd gebouw op zo’n ongelukkige plek”. Er waren erbij die het museum niet konden vinden terwijl ze er op nog geen 25 meter vandaan waren.

Gelukkig zit er al het een en ander aan verbeteringen in de pen: gewoon glas in plaats van melkglas, beter licht, een andere plaats voor de kantoren en een passend alternatief voor de hellingbaan bijvoorbeeld.

Ik zou daar graag nog een  paar suggesties aan toevoegen.

Het Kelfkensbos zal vroeg of laat toch moeten worden opgeknapt en een menselijker maat moeten krijgen. Het moet lichter, uitnodigender, groener.

In aansluiting op de al bestaande ideeën voor een terras zou je je voor kunnen stellen dat je (het groen van) dat terras in de diepte een stuk laat doorlopen, liefst tot aan de rand van het plateau en de helling van de Belvedère, waardoor het één groen, parkachtig geheel wordt.

Laat de Godenpijler, door het terras er rondomheen te leggen, deel worden van het museum. De nu nauwelijks te onderscheiden twee droge Romeinse grachten zouden in dit groen duidelijker, eventueel kunstzinnig gevisualiseerd kunnen worden en als paden de richting naar het museum kunnen aanwijzen. Tenslotte zou de in 1747 gedempte middeleeuwse poel, die ongeveer op de plaats van de ingang van de parkeergarage lag, op die plek kunnen worden teruggebracht in de vorm van een waterpartij.

Een deel van de verharding van “het bos” is dan door groen vervangen. De zonnewijzerpunten op dit gedeelte zouden op een andere manier kunnen worden vormgegeven.

Het geheel past in het gemeentelijk streven om de stad te koelen, laat het museum meer deel van de stad worden, past in de ideeën over het Valkhofkwartier en hoeft naar mijn idee niet echt héél veel te kosten.

O ja. Natuurlijk maak je van de gelegenheid gebruik om, in de vorm van een kunstzinnige versie van het door Barbarossa nagelaten lofdicht op zijn herschepping van de burcht, een uitleg te geven over de Godenzuil en de grachten. Dan is die tekortkoming ook opgelost.

Samengevat: Door het “achterste” deel van het plein in te richten als deel van het museum, als een museumtuin annex terras (godenpijler, poel, grachten) en daar een kunstzinnige vorm aan te geven slaan we twee vliegen in één klap.

 

 

 

 

Een koopgoot! In Nijmegen?

Sinds de Marikenstraat bestaat zijn er onverlaten die over haar spreken als een “koopgoot”. Ik vind het een wal-ge-lijk woord sowieso. Het klinkt te commercieel, te hard, te naargeestig en te vies. Ik vraag me bovendien af wat er nou zoveel beter aan is dan gewoon, op zijn Nimweegs: Marikenstraat. We hoeven ons geen allures van een grote stad aan te meten. Dat heeft onze stad niet nodig.

“Waarom” vraagt u zich misschien af “maak je je toch zo sappel om zo’n woordje”. Het is niet zomaar een woordje, het is een belediging. Een belediging in de eerste plaats voor de stedenbouwkundigen en architecten die dit juweeltje hebben ontworpen. Weet je nog hoe het er eerst uitzag?

Gebouw Sociale Dienst. Precies hier ligt nu de Marikenstraat

Er is bij de aanleg van de Marikenstraat geen goot gegraven, maar het natuurlijke hoogteverschil (tussen Burchtstraat en Koningsplein) is benut om een woon- en winkelstraat op twee niveaus te maken.

Na de oorlog kon je geen rondje meer door de stad lopen. De Oude Stadsgracht kwam niet terug, de Nieuwstraat sloot niet lekker aan.

Het Mariënburg is lange tijd een kale vlakte gebleven en was later in de jaren 80 een staalkaart geworden van hoe je vooral niet moest bouwen. Zie het wangedrocht hierboven. Goed, het waren de jaren van de crisis, een ergere dan de laatste.

Maar het was hier van een onbeschrijflijke lelijkheid; grauw, troosteloos rommelig, rafelig en leeg. Alleen achterkanten van winkels en 80’er jaren beton. Wat plantenbakken zonder planten en verder niets dan geparkeerde auto’s. Het geeft te denken dat er in het gemeentearchief nauwelijks foto’s van deze steenwoestijn zijn te vinden.

De Marikenstraat bracht leven in de brouwerij met winkels en woningen, en een mooi parkje waar het prima toeven is. De architectuur is verrassend en, maar dat blijft natuurlijk een kwestie van smaak, van een niet-alledaagse schoonheid. Heel iets anders dan ik me bij een goot voorstel.

En: je kunt weer een rondje door het centrum maken.

“Het is toch commercieel” zult u misschien zeggen. Ja, klopt. Maar het is veel meer dan dat. Het is een ontmoetingsplaats.

Het is óók een parkje, op de plek van de speelplaats van een school met prachtige kastanjes die, al meer dan een eeuw misschien getuige zijn van het wel en wee van de stad.

Dit parkje is de voormalige speelplaats van de kleuterschool die bij het bombardement op Nijmegen op 22 februari 1944 werd getroffen. Daarbij kwamen 24 kinderen en 8 zusters van het instituut Saint-Louis om. Het monumentje De Schommel en twee kastanjes die daar stonden herinneren daaraan. Nu je weet waarom dat parkje er is, kun je je misschien voorstellen dat ik vind dat “koopgoot” aan dit ensemble geen recht doet.


In zijn geslaagde opzet is de Marikenstraat méér dan een pleister op de wonde van een gehavende stad die kans zag zich van zijn zwaarste beproeving te herstellen.

Wat is er mis met ‘Marikenstraat’?

  • De beide foto’s zijn afkomstig uit het Regionaal Archief Nijmegen.
  • Dit artikel heb ik verwerkt in de pagina Marikenstraat op mijn website Welkom in Nijmegen. Lees daar ook meer over Mariken van Nieumeghen.

De Bastei in Nijmegen

De Bastei, archeologie en natuur in Nijmegen

Een week na de druk bezochte opening van De Bastei ben ik terug gegaan om dit museum eens wat rustiger te bekijken. Rustig was het, wat geen wonder is bij een temperatuur van 29 graden, op zaterdagochtend, pas een half uur open en in een weekend dat er (zoals zo vaak) veel meer te doen is in de stad.

Mijn ervaringen

Ik werd vriendelijk ontvangen. De Museumkaart is hier geldig. Ook als “vriend” van De Bastei kun je ook gratis naar binnen.

In het entreegebouw  is een informatiecentrum en een ruime winkel van Staatsbosbeheer gevestigd (gratis toegang). Veel leuke en niet zo héél dure, uiteraard aan natuur gerelateerde spullen. “De Bastei in Nijmegen” verder lezen

Wielrennen

Laat ik duidelijk zijn: er zijn heel wat goede, leuke en een beetje voorzichtige wielrenners1. Als je wielrent: ga er dan vooral van uit dat dit verhaal niet op jou van toepassing hoeft te zijn.

wielerwedstrijdMaar goed. Wat is het geval. 
Het liefst op mooie dagen, dagen dat àlle recreanten willen genieten van zon en natuur kom je overal grote groepen wielrenners tegen. Dat mag. Daar is bovendien op zich niets mis mee. Maar het wordt vervelend en gevaarlijk als zo’n groep zich

  • het liefst op smalle dijken en op idyllische weggetjes
  • met de blik op oneindig = met een waas voor de ogen
  • rochelend, spuwend, de weg afsnijdend en scheldend
  • zonder belletje en met doodsverachting

alle ruimte opeist.

“Wielrennen” verder lezen